postheadericon 2009-11-20 Het Vergeten Bataljon. Korea 1950-1953

Tekst uitgesproken door Robert Stiphout op de Phaff-dag 20 november 2009
Korea 1950-1953

Het vergeten bataljon

Piepers jassen, sigaretje roken, ochtendgymnastiek. Zoals we net konden zien, kreeg de Nederlandse bioscoopbezoeker van de makers van het Polygoonjournaal wel een heel vrolijk beeld voorgeschoteld van de Nederlanders in de Korea-oorlog. Je zou bijna zeggen: geen wonder dat we spreken van een Koude Oorlog als we het hebben over de strijd die Oost en West, communisme en kapitalisme, van 1949 tot 1989 met elkaar voerden.

In werkelijkheid was er juist heel weinig om vrolijk over te zijn. Er was wel degelijk sprake van een echte oorlog. Al vanaf het prilste begin, vanaf het moment op die zondagochtend 25 juni 1950 dat communistisch Noord-Korea met een overmacht van wel negentigduizend man de 38ste breedtegraad overschreed en Zuid-Korea binnenviel was er sprake van een heuse oorlog.  Een burgeroorlog om precies te zijn die in enkele dagen tijd uitgroeide tot een conflict waaraan militairen uit zeker twintig landen deelnamen. Niet om niets wordt de Korea-oorlog ook wel Derde Wereldoorlog genoemd.
In de drie jaar lange strijd die volgde, sneuvelden bijna twee miljoen militairen. Van de dertig miljoen Koreaanse burgers overleefden nog eens twee miljoen de oorlog niet. Daarmee is de Korea-oorlog verhoudingsgewijs de bloedigste oorlog van de twintigste eeuw. De Koude Oorlog die twintig jaar geleden eindigde met de val van de Berlijnse muur, begon heet.
Dat ondervonden ook de ruim vierduizend Nederlandse militairen die in verschillende lichtingen in Korea dienden. In totaal kwamen 121 militairen van het Nederlands Detachement Verenigde Naties om. Vier raakten vermist. Daarmee is de Korea-oorlog niet alleen verhoudingsgewijs de bloedigste oorlog, maar ook de bloedigste Nederlandse operatie sinds de strijd om het behoud van Nederlands-Indië.
Vooral het eerste bataljon heeft het zwaar gehad. Van de 636 militairen die op 26 oktober 1950 de loopplank van het troepenschip Zuiderkruis opstapten, zou een op de drie sneuvelen of gewond raken. De militairen hadden er bij terugkomst 181 gevechtsdagen opzitten. Om in termen van de huidige missie in Uruzgan te spreken: de militairen in Korea gingen dus  181 dagen de ‘poort uit’.
Ze vochten tegen een overmacht van Chinezen en Noord-Koreanen in een meedogenloos klimaat. Militairen verdwaalden in de hevige sneeuwstormen. Kapitein Linzel bijvoorbeeld reed in de sneeuw op een mijn. Majoor Eekhout, plaatsvervangend bataljonscommandant, sloot zich in een sneeuwstorm per ongeluk aan bij een Noord-Koreaanse patrouille.
De winter was er zo streng dat de militairen tape om hun trekker wikkelden om niet vast te vriezen. Terugkerende wachten moesten geholpen worden met uitkleden, zo stijf als ze waren geworden door de kou. ‘Als je plaste, zei de laatste druppel ping,’ zei de jongste militair van het bataljon, Jon Bluming.
De communisten wisten het bataljon tot in het hart te raken. In Hoengsong viel een overmacht van Chinezen de staf aan. Stafofficieren, chauffeurs, verbindingsmensen, administrateurs moesten zich in een man-tot-man-gevecht verdedigen. Het was bij die aanval dat een granaatscherf zich boorde door de hals en in het hoofd van de commandant van het bataljon, overste Den Ouden. Hij sneuvelde, net als zestien andere Nederlanders in Hoengsong.
Je vraagt je met al die vreselijke feiten toch af hoe het kan dat de Nederlandse bioscoopjournaals in die tijd zo’n ander, vrolijk beeld konden tonen.
De verklaring ligt voor de hand. Het eerste filmteam kwam pas in de zomer van 1951 naar Korea. Het eerste bataljon was toen op rust en stond eigenlijk op het punt alweer terug te keren naar Nederland. Maar waarom kwam die filmploeg dan zo laat? Zou tegenwoordig een ‘Hoengsong’ in Uruzgan plaatshebben dan zou het nog diezelfde dag in de Afghaanse regio wemelen van de journalisten.
De reden voor de afwezigheid van de pers is denk ik even banaal als waar. Korea leefde niet in Nederland. Toen het eerste bataljon in Korea voor de eerste keer Nederlandse kranten ontving, zochten de mannen vergeefs naar artikelen over ‘hun’ strijd. ‘We zijn vergeten,’ zeiden ze. Nu was dat misschien overdreven, maar feit is wel dat er in de loop van dat eerste jaar steeds minder in plaats van meer berichten over het bataljon verschenen. In sommige maanden helemaal niets.
Korea lag simpelweg te ver weg om iets los te maken onder de Nederlandse bevolking. Bovendien was Nederland na vijf jaar Tweede Wereldoorlog en vier strijd in Nederlands-Indië oorlogsmoe. De meesten hadden ook wel wat anders aan hun hoofd. De Duitse bezetter had het land leeggeroofd en in 1945 in puinhoop achtergelaten. Er was een tekort aan woningen, aan werk. Premier Drees zei het al op de radio: ‘Wij leven in een verarmd land.’
Er verschenen weleens stukken over de Korea-oorlog, maar dan in het licht van de wereldpolitiek, de betekenis ervan voor de Koude oorlog, niet over de verrichtingen van de Nederlanders daar. Eigenlijk haalden alleen hoogte- of dieptepunten zoals Hoengsong en Heuvel 325 de pers. Over de honderden andere patrouilles en veroveringen niets. Nederlandse journalisten namen niet de moeite om naar het Nederlands detachement af te reizen, met uitzondering dan van één man: NCRV-reporter Alfred van Sprang.
Natuurlijk, het leger stuurde eigen correspondenten mee met het bataljon. Maar dat was niet altijd even succesvol. Wim Dussel bijvoorbeeld, de eerste correspondent, had er een handje van om alle grote slagen – ook die in Hoengsong – te missen.
Veel erger nog was dat de krantenredacties veel van deze legerberichten niet of nauwelijks plaatsten, omdat ze weigerden als doorgeefluik van Defensie te fungeren. Niet zo vreemd. De correspondenten in dienst van de krijgsmacht voelden zich namelijk  aan hun sterren gebonden, zoals ze zeiden. Ze waren broodschrijvers. En als ze dan eens een glimp noteerden van de verschrikkingen in de Korea-oorlog dan stond de Legervoorlichtingsdienst met rood potlood klaar om die passages te schrappen. Een zin als: ‘De dood komt voor iedereen.’ Die haalde het niet.
Desinteresse, gekleurde voorlichting. Het gevolg was dat de Nederlandse bevolking nauwelijks benul hadden van de ontberingen die de mannen in Korea leden. En als ze al een beeld hadden van het bataljon dan was dat niet zelden te optimistisch, te vrolijk.
Zelfs de politiek en de legerleiding toonden nauwelijks interesse. Slechts één keer bezocht een Nederlandse bewindsman de troepen in Korea. Het betrof PvdA-staatssecretaris van Oorlog Ferdinand Kranenburg. Hij ging in 1952, ruim een jaar nadat het eerste bataljon in Korea had gediend. De legerleiding kwam niet één keer.  Toen de bevelhebbers hun licht wilden opsteken over de Korea-oorlog gingen ze naar Washington, Amerika, niet naar Korea.
Het mag weinig verbazing wekken dat er bij thuiskomst buiten familie niemand was om de militairen op te vangen. De vrijwilligers kregen het Kruis voor Recht en Vrede opgespeld en werden daarna geacht snel een plek in de (burger)maatschappij te vinden. Niet zeuren, maar werken. Een nazorgprogamma van betekenis kwam niet van de grond, laat staan publieke erkenning.
Aanvankelijk verschenen een viertal boeken over de Nederlanders in Korea, maar in de decennia erop raakte de Korea-oorlog in de vergetelheid. De strijd in Indië en de Tweede Wereldoorlog overschaduwden de oorlog. Er brak bovendien een tijd aan waarin alles wat maar met oorlog te maken had, werd verfoeid. Uniformen, soldaten,  wapens;  het kwam allemaal in een kwade reuk te staan. Het waren de jaren van het gebroken geweertje, het pacifisme. Voor krijgsgeschiedenis was in de lesboeken van het onderwijs nauwelijks ruimte. Militaire historie studeren kon ineens niet meer. Dat heette ineens conflictstudies.
Het was net of Nederlanders nooit gevochten hadden. Toen het in 1976 bijvoorbeeld tijd werd voor de driehonderdjarige herdenking van de dood van Michiel de Ruyter, de zeeheld die ervoor zorgde dat er nu nog zoiets is als een Nederland, zei de regering onder premier Joop den Uyl het niet nodig te vinden ‘iets te ondernemen’. Laat staan dat de politiek van toen iets met de Korea-oorlog wilde doen.
Het heeft zijn sporen nagelaten. Uit onderzoek van het Veteraneninstituut blijkt dat tegenwoordig net iets meer dan de helft van de Nederlanders überhaupt weet dat er in Korea is gevochten. Nog minder, 41 procent om precies te zijn, is op de hoogte van het feit dat Nederlandse soldaten aan de oorlog deelnamen. Daarmee is het de minst bekende operatie van na de Tweede Wereldoorlog.
Pas sinds een aantal jaren lijkt het alsof het besef terrein wint dat vrede en veiligheid niet uit de lucht komen vallen. Soms moet voor die idealen gevochten worden. De pers heeft weer aandacht voor de militairen. Weekblad Elsevier bijvoorbeeld riep de Nederlandse militair in Uruzgan in 2007 uit tot Nederlander van het jaar, net zoals het Amerikaanse weekblad Time dat in 1950 deed met de Amerikaanse soldaat in Korea. Gelukkig maar, want Korea leert hoe belangrijk aandacht van de media is voor het draagvlak van een missie en de erkenning voor veteranen.
Met terugwerkende kracht lijkt er de laatste jaren ook erkenning te komen voor de Nederlandse Korea-veteranen. Tijdens de presentatie van mijn boek De Bloedigste Oorlog in april dit jaar, zei staatssecretaris van Defensie Jack de Vries bijvoorbeeld dat de Korea-veteranen een zeer zware strijd leverden. De emoties die hij daarmee losmaakte bij veteranen verrasten mij, maar deden me ook beseffen hoe belangrijk de erkenning is voor de militairen die daar al zestig jaar op wachtten.
Pas geleden kreeg ik een brief van minister Van Middelkoop. Ook hij sprak zijn waardering uit voor de Korea-veteraan. Het viel hem op dat de Nederlandse militair van toen zoveel lijkt op die van nu:  ‘Ze zijn pragmatisch, creatief en – ondanks alles – humaan’.
Ik ben blij dat vooral de laatste jaren de Korea-oorlog alsnog de aandacht krijgt die het verdient en dat de betrokken militairen alsnog worden geëerd. Bijvoorbeeld door middel van de straks te onthullen plaquette voor de in Korea gesneuvelde Limburgse Jagers.  Voor mensen dus als Johannes Sour die op 22-jarige leeftijd in de vrieskou werd neergeschoten door een sluipschutter. Of zoals de 22-jarige soldaat Frans Lamberti die bij Inje krijgsgevangen werd genomen, na twee jaar ontsnapte, ziek werd, weer gevangengenomen werd en ten slotte stierf.
Cynici zullen misschien denken: wat doet zo’n plaquette nu voor de erkenning van de Korea-oorlog? Laat ik antwoorden met een anekdote van de directeur van het Nationaal Archief in Den Haag. Hij vertelde mij eens hoe hij een aantal jaren geleden met zijn kinderen door Washington liep. ‘Kijk pap’, zei zijn zoon. Hij wees op een schoenafdruk in een stoeptegel. Erbij stond: ‘Hier liep de Amerikaanse president Abraham Lincoln.’ De jongen vroeg zijn vader meteen wie die Lincoln wel niet was.
Precies die nieuwsgierigheid zullen mensen hopelijk ook hebben bij het zien van  plaquettes als deze. Dergelijke monumenten helpen de geschiedenis levend te houden. Nederlanders in Korea? Hoezo?
Bovendien helpen deze monumenten verkeerde beelden van vroeger recht te zetten, beelden zoals die van de Korea-oorlog als een vrolijke oorlog. Wie de namen van de vaak zo jonge gesneuvelden leest zal denken aan mensen die offers brachten voor vrede en veiligheid, niet aan piepers jassende militairen.

Dank.  ‘


 Robert Stiphout
 

 
Zoeken op de site
Wist u dat:

alle nieuwe berichten op deze website ook te volgen zijn via Twitter?

Follow LimburgseJagers on Twitter